Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC1172

Datum uitspraak2008-01-03
Datum gepubliceerd2008-01-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6050 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bezwaar tegen besluit tot weigering WAO-uitkering is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van de gronden.


Uitspraak

06/6050 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2006, 06/676 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 3 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer A.P. Prinsen. II. OVERWEGINGEN Appellant heeft op 22 november 2004 het Uwv verzocht om terug te komen van een eerdere beslissing uit 1990 waarbij aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd. Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het Uwv aan appellant bericht niet terug te komen van deze beslissing. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangetoond die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de eerdere beslissing onjuist zou zijn. Op 25 oktober 2005 heeft appellant op nader aan te voeren gronden bezwaar ingesteld. Het Uwv heeft hem daartoe de gelegenheid geboden. Op 21 december 2005 ontvangt het Uwv een brief van appellant waarin hij tevens verzoekt om uitstel van de termijn voor het indienen van nadere gronden. Bij besluit van 28 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) wordt het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek tot uitstel van het indienen van gronden te laat is ontvangen en het verzoek bovendien niet met redenen is omkleed. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat vaststaat dat appellant de gronden van het bezwaar niet tijdig heeft ingediend en een verzoek tot verlenging van de termijn één week en één dag na afloop van de gestelde termijn is ontvangen. Appellant heeft in hoger beroep slechts aangevoerd dat zijn gezondheid sinds de primaire beschikking van het Uwv ernstig is verslechterd en dat hij hierover diverse medische verklaringen naar het Uwv heeft gestuurd. De Raad overweegt het volgende. De Raad kan zich verenigen met het hiervoor kort samengevatte oordeel van de rechtbank en onderschrijft de gronden waarop de rechtbank tot dat oordeel is gekomen. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad voegt aan het voorgaande nog toe dat het verzoek tot uitstel van de termijn voor het indienen van de gronden ruim na de daartoe gestelde termijn is ontvangen. Daar komt nog bij dat het verzoek niet (deugdelijk) is gemotiveerd. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008. (get.) H.J. Simon. (get.) A.H. Polderman-Eelderink. IJ191107